Frisse moed

Het is half 7 in de ochtend. Gelukkig heb ik nog een uurtje mogen liggen tijdens mijn nachtdienst. Nu is het tijd voor een visite. De chauffeur heeft weinig rust gehad en baalt een beetje. Ik ben blij dat ik nog even afgeleid word van mijn vermoeidheid. Na een gezigzag over de wegen van een doordachte woonwijk staan we aan een weiland. De laaghangende mist licht op door de eerste zonnestralen. Dromerig zitten de chauffeur en ik er even naar te kijken. ‘Hier was ik pasgeleden ook’, zegt hij plotseling. ‘Toen zat ik net zo.’

Dat kan. Drie weken geleden zijn hier ook hulpverleners van de huisartsenpost langs geweest. De patiënte had toen gebeld voor haar man, die ziek was. Blijkbaar ging het met haar ook niet goed, want de triagiste heeft in haar dossier geschreven: ‘belt voor echtgenoot. Klinkt zelf erg benauwd. Graag ook nakijken.’ Meer niet. Nu is ze op de grond aangetroffen na een val. Bij het opstaan weggegleden.

Corona is niet uitgesloten bij een oudere die valt en ook nog luchtwegklachten heeft gehad. Het zou fijn zijn als ik weer een keer samen met de chauffeur een visite kan doen. Dat komt weinig voor de laatste tijd. Bij een verdenking op COVID-19 gaat de huisarts altijd alleen op visite. Omdat patiënte nu geen luchtwegklachten meer heeft, gaan we samen. Toch maar mondkapjes op, handschoenen aan.

Binnen is patiënte gelukkig weer in bed geholpen door haar kinderen. De zoon blijft keurig op 1,5 meter afstand. Haar been staat naar buiten gedraaid en is iets korter. Dat wordt bellen.

Ik geef pijnstilling. Tussen het bellen naar drie verschillende ziekenhuizen door, vraag ik haar wat ze denkt over reanimeren. Ze is er duidelijk over: geen reanimatie en geen IC meer voor haar. Haar zoon vertelt dat haar man drie weken geleden is overleden in het ziekenhuis. Daar hadden ze zij aan zij op de corona-afdeling gelegen, zijn ouders. Zijn moeder is wonder boven wonder weer opgeknapt.

Wanneer ik de chirurg van het derde ziekenhuis aan de lijn heb, geeft deze meteen aan dat ze mag komen. Wel vraagt hij of ze echt geopereerd wil worden. Ik schrik een beetje. Daar had ik helemaal niet aan gedacht. Terwijl ik het altijd zo belangrijk vind dat iedereen een keuze heeft in hoever je moet gaan in de behandeling. Op een of andere manier keek ze me zo dapper aan, en was ze zo dankbaar dat ik haar bevestigde in haar gedachte dat ze een gebroken heup heeft, dat deze vraag niet eens bij me is opgekomen.

Ik vraag het haar op de man af met de chirurg nog aan de lijn. ‘Als het inderdaad gebroken is en als ze u willen opereren, wilt u dat dan ook? Dan moet u daarna wel nog een tijd herstellen en oefenen.’ Te veel tekst. Ze kijkt me met verschrikte ogen aan en haar blik gaat naar haar zoon. ‘Wat moet ik kiezen?’ vraagt ze. Hij vraagt me wat het alternatief is. ‘Goede pijnstilling’, zeg ik. Hij kijkt zijn moeder aan en vraagt haar: ‘Wil je leven, mam?’ We knikken alle drie. Ja, ze wil er weer voor gaan.

We bellen de ambulance en eenmaal in de auto kijken we nog even uit over het weiland. De zon schijnt. Ik heb er vertrouwen in dat deze mevrouw dit aankan. Zonder echtgenoot, net opgeknapt van corona, maar vol goede moed en met haar zoon.

Sandra Verhagen werkt sinds 3 maanden als waarnemend huisarts. Voor ze voor dit vak koos, werkte ze onder andere bij de interne geneeskunde, de psychiatrie en in het verpleeghuis. Ze promoveerde op de relatie tussen vetweefselinflammatie en atherosclerose.

Sandra is redactielid van FocusVasculair, praktijkgerichte nascholing over interdisciplinaire vasculaire geneeskunde.

BACK